In het actieplan “focus op vakmanschap” stelt minister Bijsterveld dat goed vakmanschap de veerkracht van de samenleving bepaalt en dat dit doel goed beroepsonderwijs vereist. Eén van de maatregelen die volgens deze focus op vakmanschap zou moeten leiden naar een beter beroepsonderwijs is het vereenvoudigen van de kwalificatiestructuur, want er zijn wel 627 verschillende kwalificaties en dat zijn er blijkbaar “teveel als basis voor een doelmatige organisatie van het beroepsonderwijs”.
Ik begrijp hieruit dat er dus blijkbaar grenzen aan de organisatorische kwaliteiten van het ministerie van Onderwijs zijn en aan het onderwijs wordt gevraagd om het vakonderwijs op een zodanige wijze aan te bieden, zodat het ministerie dit doelmatig kan organiseren.Dit blijkbaar vanzelfsprekende gegeven roept bij mij, vakdocent van het al samengevoegde kwalificatiedossier game- en mediadevelopment, desondanks toch vragen op zoals: “wat is het doel van kwalificaties (doelmatig) te organiseren?”, “kun je kwalificaties of ‘vakmanschappen’ ongestraft samenvoegen?”, “kan het beroepsonderwijs de focus niet beter leggen bij het ontwikkelen van lesmateriaal?” en “wat is een kwalificatie of vak(manschap) eigenlijk?”.
Om met de laatste vraag te beginnen, “wat is een vak?” en “wat is vakmanschap”? In eerste instantie gaan mijn gedachten naar vakmanschap is meesterschap, een bierreclame uit de jaren zeventig die een associatie met arbeid uit de Middeleeuwen oproept. Bij nader onderzoek blijkt dat het idee van de vakman zelfs nog verder in de tijd teruggaat en haar basis vindt in de klassieke Griekse beschaving.In deze beschaving, waar de filosoof Aristoteles als een der eersten de aard van kennis probeerde te doorgronden. Hij was na Plato en wat anderen een van de eersten die kennis op een structurele wijze onderzocht en had daarom een grote vrijheid in het maken van keuzes hoe hij “kennis” zou kunnen gaan onderzoeken. Aristoteles koos ervoor om het begrip kennis op te delen in twee subklassen die hij “episteme” en “techne” noemde. Het episteme omschreef Aristoteles als theoretische kennis, kennis die mensen willen weten om het weten, theoretische kennis die geen enkel praktisch nut hoeft of misschien wel mag hebben. Het is kennis die slechts achterhaald kan worden door zuiver denken, waarbij de praktijk voornamelijk als stoorzender wordt bezien. De tweede klasse van kennis, de “techne”, stond volgens Aristoteles volledig in de praktijk. De “techne” is een vorm van trial and error, waarbij falende ontwerpen worden weggegooid en succesvolle ontwerpen worden gekopieerd en zo ervaring wordt opgedaan hoe je dingen het beste kan maken.
Dit onderscheid is vervolgens tot en met de Middeleeuwen aangehouden: in de zich ontwikkelende steden groeide door de ervaring de kennis van de ambachtslieden gestaag. In die tijd was de vraag “wat is een vak?” uiteraard overbodig: er was een vraag naar gebruiksvoorwerpen en diensten en de personen die deze diensten aanboden waren dus “vakmensen”. De basis van het “vak” was dus een geheel van ervaring om deze diensten en gebruiksvoorwerpen uit te kunnen voeren. Er zullen ongetwijfeld bij verschillende vakken overeenkomende handelingen zijn geweest, maar de basis van “het vak” lag waarschijnlijk bij de vaardigheden die nodig waren voor het product dat werd opgeleverd. Daarentegen hielden de wetenschappers zich zo ver van hun Middeleeuwse maatschappij als mogelijk. Zij hielden zich bezig met zuivere theoretische vragen zoals het aantal engelen die maximaal op de punt van een speld kunnen dansen, wat volgens de Bijbel de kenmerken van een heks waren en misschien ook wel de vraag welk doel een organisatie van vakmanschap zou kunnen hebben. Toen ook de wetenschappers beseften hoe goed het model van doorgegeven ervaring werkt en zij de praktijk juist als uitgangspunt van hun onderzoek zouden moeten nemen, betekende deze andere aanpak vrijwel een direct einde van de donkere Middeleeuwen en begon renaissance waar niet God, maar de mens zelf centraal stond. De begrippen episteme en techne werden gecombineerd tot ‘wetenschap’ en zo kon ook de wetenschap profiteren van de effecten van evolutionair opbouwende ervaring of ‘wetenschappelijke methode’.
Alhoewel inmiddels in ons tegenwoordige kennissysteem, het doel waarvoor Aristoteles de subklassen van kennis had bedacht, de episteme en techne volledig zijn geïntegreerd, is de maatschappij en met name het onderwijs nog steeds voortgebouwd op het idee dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen hoge- en lage kennis. Zo bevat onze maatschappij begrippen als hoger-, middelbaar en lager onderwijs die opleiden voor hogere-, midden- of lagere beroepen. Omdat door de maatschappij van oudsher de hogere beroepen beter gewaardeerd worden (=meer geld verdienen), geeft de maatschappij dus ook de ondubbelzinnige boodschap af dat hogere kennis beter is dan lagere kennis. Ook heeft de maatschappij bijvoorbeeld de naam voor het lagere beroepsonderwijs veranderd in voorbereidend middelbaar onderwijs, zodat een eventuele gedwongen keuze voor dit type onderwijs minder pijnlijk zou overkomen.
Ik denk dat hier de basis van ‘het vak’, ‘de vakman’ en ‘het vakmanschap’ gevonden kan worden. Niet in de kennis zelf, maar in de kennis die toegepast wordt in de maatschappij staat bij het vakmanschap centraal. Van nature heeft deze vorm van kennis dus een soort evolutionaire opbouw: als een methode niet werkt een andere methode gebruiken en als de methode werkt deze blijven toepassen en hierop variëren. De bioloog Richard Dawkins suggereerde dat deze vorm van kennis opdoen zelfs als op eenzelfde wijze als de biologische evolutie beschreven kan worden, maar dan niet met het menselijke genetische materiaal (de genen) als basis, maar ‘aansprekende ideeën’ of memes’ die worden overgedragen. Later heeft dit idee geleid tot een nieuwe wetenschap, de memetica, met onderzoekers zoals bijvoorbeeld Susan Blackmore.
En hierin herken ik mijn dagelijkse werk in het Middelbaar Beroepsonderwijs. Door het onderwijssysteem krijg ik als door evolutie gestuurd vanzelf de leerlingen in de klas die het beste kunnen leren met een maatschappelijk doel als perspectief. Het is bij de leerlingen die ik les geef ook duidelijk dat zij slecht leren als het maatschappelijke doel van de lesstof voor hun niet duidelijk is. Daarbij staat bij het beroepsonderwijs de lesstof open voor commentaar. Waar bij het voortgezet onderwijs de schoolboeken de norm zijn, zijn er in het beroepsonderwijs dikwijls discussies over de kwaliteit van de lesstof en wordt de lesstof in een evolutionair systeem aangevuld en/of gecorrigeerd door zowel docenten als studenten: zeg maar onderwijs 2.0. En het is in mijn ogen dus niet de aangeboden lesstof, maar juist de discussies over de kwaliteit van de lesstof die deze leerlingen vormen als vakman. Ik heb dus niet het idee dat ik hen vakmanschap leer, ik heb veel meer het idee dat zij vakmanschap vanzelf ontwikkelen.
En nu terug naar het actieplan ‘focus op vakmanschap’ dat stelt dat het aantal kwalificaties moet worden gereduceerd. Het mag duidelijk zijn dat dit voor het beroepsonderwijs een enorme taxonomische onderneming gaat worden, waarbij ieder beroep uiteengerafeld moet worden tot vergelijkbare handelingen en vaardigheden en dit in kaart moet worden gebracht, geanalyseerd en uiteindelijk geoptimaliseerd. Ik en veel andere docenten, stafleden en ander onderwijspersoneel worden dus van het onderwijs gehouden omdat het ministerie het grote aantal kwalificaties niet doelmatig kan organiseren! Het lijkt wel alsof een student biologie aan de natuur vraagt of er iets minder dieren en planten willen ontwikkelen, omdat anders het tentamen zo moeilijk wordt. Mijn advies voor het ministerie van Onderwijs: neem meer vakmensen op het gebied van organisatie aan, zodat ook het ministerie van Onderwijs zich kan richten op het optimaliseren van het onderwijs zelf en niet op de vraag hoe het onderwijs het beste in kaart kan worden gebracht.





Het nare van zwarte gaten is dat er niets meer uitkomt en dus ook geen licht. Je kan zwarte gaten dus niet zien. Als je een zwart gat zou willen zien zou je gewoon overal moeten kijken totdat je niets meer ziet en in dat geval kijk je dus naar aan zwart gat wat niet te zien is. Het lijkt daarom erg lastig om zwarte gaten te lokaliseren, maar gelukkig wordt dit effect opgeheven door een andere eigenschap van zwarte gaten namelijk de grote aantrekkingskracht van deze natuur-fenomenen. Als je een zwart gat had kunnen zien had je het waarschijnlijk nog niet kunnen zien vanwege de enorme drukte die zich rond het zwarte gat afspeelt. En omdat alles van nature al een eigen beweging had voordat het werd aangetrokken door het zwarte gat, worden alle voorwerpen die niet al toevallig in de richting van het zwarte gat bewogen zich in een cirkelende beweging naar het zwarte gat toegetrokken. Dit leidt er dus toe dat er een ringvormige wolk rond het zwarte gat ontstaat. En dat is dan ook de manier hoe het bestaan van een zwart gat kan worden aangetoond: niet door erin te kijken maar door te kijken welke invloed het op de omgeving heeft en zo kan je dan iets zeggen over de eigenschappen van het zwarte gat.




