Bij de intrede van het onderwijs in Nederland had het onderwijs duidelijke doelen. Een doel was bijvoorbeeld dat scholen de christelijke- en maatschappelijke deugden zouden verspreiden. En dat is het mooie als je een duidelijk doel hebt: dan is de weg naar je doel goed uit te stippelen door kundige mensen in een leerplan of stappenplan en kun je tijdens het proces bepalen voor welk percentage je doel bereikt is. Je kunt ook helder en objectief vaststellen of het doel bereikt is en welke tolerantie je hierbij wil toestaan.
In het vroegere onderwijs werd het onderwijsproces als een machine van bovenaf geregeld en gestuurd door partijen die zelf belang hadden in ´ontwikkelde` burgers en ontwierpen daarvoor (les)programma’s. Natuurlijk moesten de uitvoerders zich zo goed als mogelijk aan het lesplan houden, want zo kon na uitvoering bepaald worden welk effect het lesplan had en kon het na uitvoering geoptimaliseerd worden. Het onderwijs kwam dus in de basis neer op het ontwikkelen en optimaliseren van een object; het lesplan.
Maar in de loop der jaren is de maatschappij op een velerlei gebieden ingrijpend veranderd. Met name door de liberalisering van het individu is de arbeidsbevolking veranderd van statisch programmeerbare arbeidskrachten naar dynamische werknemers die een volwaardig onderdeel zijn van een onderneming. Waar arbeiders vroeger een goed omschreven taak diende uit te voeren, vraagt de huidige maatschappij om betrokken werknemers die zelf in staat zijn om goede beslissingen te nemen. De ontwikkeling van de maatschappij-als-geheel lijkt daarom niet meer op een strategisch plan van een rijke bovenlaag die alle touwtjes in handen hebben en met name de eigen belangen veiligstellen. De ontwikkeling van onze huidige maatschappij is meer gaan lijken op de ontwikkeling zoals deze voorkomt in de natuur, gebouwd op de evolutie van ideeën, waarbij nieuwe ideeën of memes verschijnen uit creatieve geesten, die vervolgens door de samenleving worden versterkt of verzwakt en uiteindelijk uitsterven of overleven.
Maar hoe de maatschappij op veel gebieden dan ook veranderd is, de basis van het onderwijs is juist in veel opzichten hetzelfde gebleven. De goede ideeën die er waren om de educatieve ontwikkeling van scholieren te regelen en te sturen naar een goed omschreven doel, die bestaan nog steeds. Ideeën zoals bijvoorbeeld leerplannen, roosters, klassen en klassikale instructie. Alleen is het helder omschreven doel van het onderwijs inmiddels volledig verdwenen in een mist van onderwijskundige theorie. Zo beantwoordde bijvoorbeeld een folder bij de officiële opening van het lerarenregister de vraag “wat is het doel van het onderwijs?” met als onderliggende bedoeling van het onderwijs: “uit een leerling te halen wat er in zit”. Alsof ik als leraar kan bepalen wat er in een leerling zit! Verder begin ik steeds meer te geloven dat de leerling pas tijdens het onderwijsproces zichzelf begint te ontwikkelen en er voor het begin van het onderwijsproces helemaal niets “in” de leerling zit.
De objectieve mechanische constructies die vroeger zo goed werkten in het onderwijs met een goed omschreven doel zijn inmiddels doelloos, zinloos en zielloos geworden. Desondanks worden deze zombie-constructies in leven gehouden. Dat komt omdat de regering volgens de grondwet de verplichting heeft onderwijs op te vatten als een aanhoudend voorwerp van zorg. Maar hoe kan de regering objectief de toestand van een proces meten waarvan het doel inmiddels is gesublimeerd in onderwijstheorie?
Om de toestand van het onderwijs te kunnen bepalen is de overheid zich dus niet gaan oriënteren op bepalen van de toestand van subjectieve processen, maar juist op het meten van begrippen die zijdelings met ‘onderwijs’ te maken hebben, maar wel objectief gemeten kunnen worden, zoals bijvoorbeeld schooluitval, rendement en cito-scores. En inmiddels zijn deze objectief meetbare aspecten van het onderwijs verzameld onder het begrip “de kwaliteit van het onderwijs”. En alhoewel de vraag `wat is kwaliteit?` sommigen tot waanzin hebben gedreven, heeft de onderwijsinspectie hier totaal geen problemen mee, want het is objectief meetbaar, dus regelbaar en stuurbaar en dus goed.
Een voorbeeld van een objectief meetbare grootheid is bijvoorbeeld het rendement. Het rendement is een maat voor de procentuele verspilling ten opzichte van het doel. Maar omdat het doel van het onderwijs onduidelijk is, meet men daarvoor in plaats nu het aantal leerlingen dat op een opleiding zijn ingeschreven ten opzichte van het aantal leerlingen dat de school met een diploma verlaten. Het idee er achter is simpel: leerlingen die het onderwijs zonder diploma verlaten blijken later een bron van maatschappelijke onrust en is de criminaliteit voor diplomaloze burgers een rationeel verdedigbare keuze. En omdat niemand gebaat is bij een groei van de criminaliteit probeert de overheid zoveel mogelijk mensen een diploma te laten halen. Maar het gevolg is dat leraren de instructie krijgen om leerlingen die op jonge leeftijd een opleiding moesten kiezen zoveel als mogelijk aan hun oorspronkelijke keuze te houden. Maar bij mij als leraar leidt deze goede intentie en deze objectivering juist tot een anomalie. Uit onderzoek blijkt dat de eigen identiteit van de jongeren zich juist tijdens de adolescentie ontwikkelt. Mede daarom juich ik het toe dat een jongere op een beslissing terugkomt, alhoewel dit een negatieve invloed heeft op ‘de kwaliteit van het onderwijs’.
Maar hoe moet de toestand van het onderwijs anders bepaald worden? De les die ik heb geleerd is dat betrokkenheid bij het onderwijs een essentiële voorwaarde is om te kunnen leren. Ik ben zelf betrokken bij het onderwijs en heb als leraar meer te winnen bij het verhogen van de betrokkenheid van de leerling dan het ontwikkelen en en optimaliseren van een lesplan. En ieder jaar, iedere klas, iedere leerling moet op zijn eigen wijze betrokken zijn bij het onderwijs en daarom verschilt mijn aanpak van jaar tot jaar, van klas tot klas, van leerling tot leerling. Mijn werk is geen doelmatig programma uitvoeren, mijn werk is observeren van leerlingen en onderzoeken waarmee de leerlingen betrokken kunnen worden bij het onderwijs, subjectief onderwijs.
Goed onderwijs is in mijn ogen dan ook geen objectieve onderwijskunde, maar subjectieve onderwijskunst. Ik ben als leraar zelf, net als de leerlingen, een integraal en niet los te theoretiseren onderdeel van mijn onderwijs. Ik probeer in te schatten welke strategie dit keer gebruikt kan worden, welke ontwikkelingen in het nieuws goed aanhaken bij bepaalde lesstof.En ik ben zeker niet consequent in mijn onderwijs. Ik meet altijd met minimaal twee maten, maar meestal met veel meer. Ik geef soms uitleg en eis dat iedereen het begrijpt, maar ik adviseer ook wel eens om gewoon door te werken en dat de leerlingen het later wel zullen gaan begrijpen. Soms geef ik veel te eenvoudige opgaven en soms ook veel te moeilijke. En soms geef ik een proefwerk met 2 punten per vraag, soms laat ik ze hetzelfde proefwerk keer op keer herhalen net zolang totdat ze alle vragen goed doen en soms geef ik een beloning aan de leerling met de beste vraag. En dat is volgens mijzelf de essentie van mijn werk: kijken hoe de leerlingen reageren, daarvan leren en vervolgens onderzoeken hoe zij het beste leren. Mijn les voor mijzelf is, dat als leerlingen betrokken bij het onderwijs worden, het leerproces vele malen sneller, beter en aangenamer verloopt. Met de sociale media onderhoud ik nog veel contact met oud-leerlingen. Ik merk dat zij het prima doen, zowel in hun vervolgstudie als in ondernemingen. Dus voor mij is er nog niet veel druk om mijn aanpak van het onderwijs te veranderen.
Maar natuurlijk schuurt het verschil tussen de theoretische objectieve kwaliteit van het onderwijs die de inspectie van het onderwijs gebruikt met mijn eigen beeld dat ontstaan is door jarenlang les te geven. Daarom zou ik het ministerie van onderwijs willen oproepen om eens voorbij de objectieve kwaliteitseisen te kijken en de betrokkenheid van mij als leraar, en vele leraren zoals ik, in het onderwijs serieus te nemen en een manier te zoeken om de toestand van het onderwijs op een betrokken wijze te bepalen..Hoe dat er precies uit zou moeten zien weet ik niet, maar misschien kan de kunstfilosoof Hans-Georg Gadamer ons hierbij een stukje op weg helpen










Het nare van zwarte gaten is dat er niets meer uitkomt en dus ook geen licht. Je kan zwarte gaten dus niet zien. Als je een zwart gat zou willen zien zou je gewoon overal moeten kijken totdat je niets meer ziet en in dat geval kijk je dus naar aan zwart gat wat niet te zien is. Het lijkt daarom erg lastig om zwarte gaten te lokaliseren, maar gelukkig wordt dit effect opgeheven door een andere eigenschap van zwarte gaten namelijk de grote aantrekkingskracht van deze natuur-fenomenen. Als je een zwart gat had kunnen zien had je het waarschijnlijk nog niet kunnen zien vanwege de enorme drukte die zich rond het zwarte gat afspeelt. En omdat alles van nature al een eigen beweging had voordat het werd aangetrokken door het zwarte gat, worden alle voorwerpen die niet al toevallig in de richting van het zwarte gat bewogen zich in een cirkelende beweging naar het zwarte gat toegetrokken. Dit leidt er dus toe dat er een ringvormige wolk rond het zwarte gat ontstaat. En dat is dan ook de manier hoe het bestaan van een zwart gat kan worden aangetoond: niet door erin te kijken maar door te kijken welke invloed het op de omgeving heeft en zo kan je dan iets zeggen over de eigenschappen van het zwarte gat.




